Collegegelddifferentiatie: het proberen waard!

In het laatste Hoger Onderwijs- en Onderzoeksplan (HOOP) – de beleidsagenda van de staatssecretaris voor de komende vier jaar – presenteerde de inmiddels opgestapte Nijs haar veranderplannen voor het hoger beroepsonderwijs en de universiteiten. Ze wilde het onder andere mogelijk maken dat instellingen experimenteren met het vragen van een hoger collegegeld voor opleidingen die daarmee kwalitatief worden verbeterd. Deze mogelijkheid, beter bekend onder de noemer collegegelddifferentiatie, heeft tot veel commotie geleid. Niet geheel terecht, want je kunt studenten toch niet verbieden in hun eigen toekomst te investeren?

Door Ton Monasso, portefeuillehouder Onderwijs

Het hoger onderwijs staat er financieel niet goed voor. De afgelopen twintig jaar is het bedrag dat de overheid per student uitkeert met de helft gedaald. Hoewel het niet zo is dat het onderwijs in het algemeen van slechte kwaliteit is, beschouwen veel studenten het als onpersoonlijk en massaal, en worden studenten onvoldoende uitgedaagd het maximale uit zichzelf te halen. Daarnaast zijn de laatste bezuinigingen, opgelegd ten tijde van Balkenende-I, nog niet eens helemaal verwerkt. Het leidt geen twijfel dat met meer geld voor het hoger onderwijs de kwaliteit verbeterd kan worden. De ruimte voor efficiencymaatregelen is niet erg groot meer. Waar halen we het extra geld dan vandaan?

Roepen om meer overheidsgeld is een leuke hobby, maar zal voorlopig weinig uithalen. Met een strakke begrotingsdiscipline en legio andere maatschappelijke problemen die moeten worden opgelost, is het hoger onderwijs niet de eerste in de rij voor de geldautomaat van Zalm. Ook binnen de onderwijssector moeten we bijvoorbeeld de grote problemen met schooluitval in het VMBO en MBO laten voorgaan. Moeten we het daarbij laten, en het hoger onderwijs geheel afhankelijk laten zijn van de beperkte en grillige portemonnee van de overheid?

Iedere student betaalt nu jaarlijks ongeveer 1500 euro aan collegegeld. Dit is echter maar een fractie van de werkelijke kosten voor een opleiding. Inclusief studiefinanciering betaalt de overheid 88% van de studiekosten, zo blijkt uit een studie van het Centraal Planbureau. Van elke opleiding profiteert echter niet alleen de maatschappij, maar ook de student zelf. De student heeft zich persoonlijk kunnen ontwikkelen, en kan met een diploma op zak een flink hoger salaris verwachten. De verwachting is dat door een tekort aan hoogopgeleide en een overschot aan laagopgeleide werknemers, de salarissen tussen beide groepen steeds verder uiteen gaan lopen. In dit licht kan de hoogopgeleide van later – de student van nu dus – als hij een betere opleiding wil, de extra kosten best zelf betalen. Maar kan iedereen dat wel betalen, of kunnen alleen de studenten met rijke ouders zich een goede studie veroorloven?

In Nederland hebben we gelukkig een uitstekend stelsel om studieleningen af te sluiten. Er kunnen vrij grote bedragen van de overheid geleend worden tegen een laag rentepercentage. Pas als de student gaat werken hoeft dit te worden terugbetaald, waarbij het tempo afhankelijk is van het inkomen. Als na 15 jaar de lening nog niet volledig is afbetaald, wordt het restant kwijtgescholden. Een hoger collegegeld hoeft dus niet te worden opgebracht door extra bijbaantjes, maar kan tegen gunstige voorwaarden worden geleend. Voor de student is dit een risicoloze investering in zijn toekomst. Zijn we er dan?

Duidelijk moet in ieder geval zijn dat de kwaliteit en het niveau van de opleiding twee losstaande dingen zijn: op elk opleidingsniveau zijn er mogelijkheden een hogere kwaliteit te leveren. De vrees dat er alleen dure topopleidingen voor de betere studenten komen, lijkt dus niet gegrond.
Naast de opleidingen met een hoger collegegeld, zullen er altijd voldoende opleidingen moeten zijn die gevolgd kunnen worden tegen het standaardbedrag. De keuze voor een betere opleiding – die in het begin dan ook meer geld kost – is aan de student. Een goede kwaliteitscontrole moet ervoor zorgen dat de normale opleidingen niet aan kwaliteit inleveren. Maar wat is nu eigenlijk kwaliteit, waar willen studenten voor betalen? In HOOP-termen: wanneer is er sprake van ‘evidente meerwaarde’, en mag er een hoger collegegeld gevraagd worden?

Met bureaudiscussies komen we daar niet uit. Eerst moeten we meer ervaring opdoen met collegegelddifferentiatie, bijvoorbeeld in de vorm van experimenten. Alleen opleidingen die nu al aan de top zitten met hun kwaliteitsbeoordelingen, zouden voorstellen moeten mogen indienen voor een hoger collegegeld. Een goede beoordeling ten opzichte van soortgelijke opleidingen laat zien dat het nu beschikbare geld redelijk efficiënt wordt gebruikt. In het verbeteringsvoorstel moet dan duidelijk worden aangegeven welke kwaliteitsverbetering men wil realiseren, tegen welke middelen. Denk bijvoorbeeld aan kleinere projectgroepen, betere faciliteiten of meer contacturen. Uiteindelijk moet er een meetbare verbetering te zien zijn. Als er genoeg studenten zijn die de duurdere opleiding willen volgen, kan worden geconcludeerd dat de kwaliteitsverbetering gewaardeerd wordt. Als er nauwelijks belangstelling is en de opleidingen niet aan de verwachtingen hebben voldaan, moeten we zo eerlijk zijn om collegegelddifferentiatie als niet-werkend te beschouwen. Daarbij moeten we de experimenten wel enige tijd gunnen, er zal ook enige gewenning nodig zijn bij instellingen en studenten. Conclusie?

Collegegelddifferentiatie op basis van verschillen in de kwaliteit van opleidingen kan positief uitpakken voor het hoger onderwijs. Experimenten kunnen meer duidelijkheid bieden over de uitwerking, in beide betekenissen van het woord. Waarom zouden we het geen kans geven?

Share

Leave a Reply

Your message will be published on this website, after approval of the webmaster. If you prefer a personal reply that will not be published, please use the contact form.