Elektronisch Kinddossier: de feiten en de fabels
Over het Elektronisch Kinddossier en de daaraan gekoppelde Verwijsindex Risicojongeren bestaan nogal wat misverstanden. In reactie op de bijdragen van Lord Flasheart en Spuyt12 kan het naar mijn mening geen kwaad om de feiten van de fabels te onderscheiden. Als onderzoeker neem ik geen positie in over de wenselijkheid van de ontwikkelingen, maar probeer ik de beweringen in een feitelijk perspectief te plaatsen.
Het beeld dat er rondom het dossier en de verwijsindex bestaat, klopt vaak niet. Zowel politici als de media zijn hier debet aan, door termen door elkaar te halen en wensen en concrete beleidsvoornemens op een hoop te gooien. Wat zijn nu eigenlijk de echte plannen?
Kinddossier
Er spelen twee ontwikkelingen, die op dit moment nog maar weinig met elkaar te maken hebben. De eerste is het elektronisch kinddossier. Dat behelst niets meer of minder dan het digitaliseren van de dossiers van de jeugdgezondheidszorg, oftewel de consultatiebureau- en schoolarts. In steden als Amsterdam en Rotterdam is dat al grotendeels gebeurd, maar de meeste GGD’s en welzijnsorganisaties hebben nog een groot vertrouwen in balpen en papier. Het doel van de landelijke digitalisering is het uniformeren van de manier waarop gegevens worden vastgelegd en het mogelijk maken van uitwisseling van dossiers als jongeren ouder worden (het consultatiebureau vaarwel zeggen en bij de schoolarts op de stoep staan) of verhuizen. Het is waar dat er veel gegevens, zowel medische als niet-medische, in de dossiers worden opgeslagen, maar dat is grotendeels een voortzetting van de huidige praktijk.
Er is nog geen enkele concrete actie in voorbereiding die anderen dan de nu al betrokken artsen inzage geeft. De Tweede Kamer heeft wel gevraagd om een haalbaarheidsstudie naar dergelijke mogelijkheden, maar Rouvoet heeft zich daarin zeer terughoudend opgesteld. Het onderzoek zal waarschijnlijk de komende maanden worden uitgevoerd. Daarna ontstaat er hoogstwaarschijnlijk weer politiek momentum om de wenselijkheid van informatie-uitwisseling ter discussie te stellen.
Op Sargasso wordt opgemerkt dat het digitaliseren van dossiers statistisch onderzoek mogelijk maakt. Het is inderdaad mogelijk om dat te doen. Het debat over de wenselijkheid van het gebruik van zogenaamde risicofactoren (afgaande op wetenschappelijk onderzoek vallen daaronder ook zaken als een laag inkomen en allochtone afkomst) om de situatie van kinderen in te schatten, wordt nog veel te weinig gevoerd. Er zal een afweging gemaakt moeten worden tussen de belangen van kinderen en die van ouders. De laatste jaren is daarin een duidelijke verschuiving zichtbaar; het belang van het kind wordt steeds meer voorop gesteld. Er zijn ontwikkelingen gaande waarbij risicofactoren gebruikt zouden kúnnen worden, zoals vroegsignalering nog voor of net na de geboorte.
Verwijsindex
Naast het kinddossier wordt er gewerkt aan de verwijsindex. Dat is niets meer dan een systeem dat meldingen verzamelt van hulpverleners over jongeren. Leraren, artsen, welzijnswerkers, politie-agenten, de sociale dienst en anderen kunnen aangeven dat zij zich zorgen maken over een jongere. Het systeem registreert alleen dát een hulpverlener bezorgd is over een jongere, niet waarom. Als er twee of meer meldingen over dezelfde jongeren zijn, zorgt het systeem dat de melders elkaars contactgegevens krijgen.
Spuyt12 merkt naar mijn mening terecht op dat wanneer hulpverleners massaal gaan melden, de relatie met de ouders en het kind onder druk kan komen te staan. Het is op dit moment ook niet zo dat er een meldplicht bestaat. Wel zijn er beroepscodes die aangeven wanneer van bijvoorbeeld een arts wordt verwacht dat er meldingen worden gedaan. Deze codes worden momenteel landelijk ingevoerd over alle beroepen waarbij veel met kinderen wordt gewerkt. Daarbij wordt een vermoeden echter getoetst aan de hand van vragenlijsten en ruggespraak met een vertrouwensarts, en wordt niet klakkeloos ingegrepen. Wel is het zo dat verschillende partijen in de Tweede Kamer pogingen doen of gedaan hebben een meldplicht ingevoerd te krijgen. Rouvoet houdt op dit punt overigens de boot af.
Ook wordt door Spuyt12 opgemerkt dat bij veel van de geconstateerde incidenten niet zozeer het gebrek aan informatie, maar eerder een slecht vervolg daarop het probleem was. De verwijsindex probeert juist de uitwisseling van informatie te bevorderen. Daarbij wordt in beginsel niet meer informatie over een kind of zijn omgeving verzameld dan wanneer de index er niet zou zijn, omdat het teert op bestaande hulpverleners, hun bevoegdheden en informatiekanalen.
Sommige gemeenten gaan verder dan de landelijke verwijsindex en wisselen ook beperkte inhoudelijke informatie uit, die wederom alleen toegankelijk is voor degenen die zelf al een melding hebben gedaan. Het is technisch niet mogelijk om te grasduinen in de database, en elke inzage wordt vastgelegd (pdf).
Debat
Beide systemen zouden in de toekomst anders ingericht kunnen worden. Er zijn echter geen concrete voornemens, althans niet op nationaal niveau, om op grote schaal inhoudelijke informatie uit te wisselen. Wat niet is, kan natuurlijk nog komen, want het onderwerp is hot en dat kan leiden tot snelle veranderingen in de publieke en politieke opinie. Het debat over informatie-uitwisseling rondom jongeren met problemen moet zeker gevoerd worden en blijven worden, maar daarbij moeten realiteit en mogelijkheden wel worden onderscheiden. De zorgen die vele bloggers uiten kunnen deels terecht zijn, maar naar mijn mening richt de kritiek zicht vaak op technische mogelijkheden die nog niet in de huidige plannen bestaan. De discussie is echter aan te moedigen, want er wordt teveel over incidenten, en te weinig over de fundamenten van dergelijke systemen gesproken.
Deze bijdrage is eerder verschenen op GeenCommentaar.nl. Kijk daar voor reacties!
Print This Post

Leave a Reply
Your message will be published on this website, after approval of the webmaster. If you prefer a personal reply that will not be published, please use the contact form.