Overwegingen bij de verwijsindex

Dit artikel is verschenen in Perspectief, Informatie- en opinieblad voor de jeugdzorg, kinderbescherming en pleegzorg, nummer 5, juli/augustus 2009.

De regionale verwijsindexen schieten als paddenstoelen uit de grond, geflankeerd door de landelijke Verwijsindex Risico’s Jeugdigen. Deze beide instrumenten ondersteunen bij vroegsignalering van jongeren, die nog onvoldoende in beeld zijn bij de hulpverlening, en bij de coördinatie van verschillende hulpverleners die zich met hetzelfde kind bezighouden. Bij de inrichting van een verwijsindex komen de nodige dilemma’s kijken. In dit artikel een aantal van die vraagstukken.

Door Ton Monasso

Techniek en dilemma’s

Bij het ontwerpen van de techniek, maar vooral de afspraken rondom een verwijsindex, doet zich een lastig dilemma voor, dat wij in vier gedaanten uitwerken. Deze dilemma’s treden vooral op als de verwijsindex wordt ingezet als instrument  voor vroegsignalering. Dat doel staat dan ook centraal in dit artikel.

De centrale opgave van risicosignalering is om jeugdigen in beeld te brengen, die nog geen (toereikende) hulp ontvangen. Maar die er wel baat bij hebben om hun problemen aan te pakken of het manifesteren van problemen te voorkomen. Daarbij kan de effectiviteit van het systeem worden uitgedrukt in het aantal of aandeel risicojeugdigen dat wordt gesignaleerd.

Tegelijkertijd zal het proces van vroegsignalering ook gevallen opleveren, waarbij jeugdigen die geen hulp nodig hebben, toch worden geïdentificeerd als risicojeugdige, of waarover in ieder geval informatie is verzameld en opgeslagen. Dat vervuilt niet alleen het systeem, met alle kosten vandien, maar kan ook negatieve consequenties hebben voor de privacy van de betrokkenen.

False positives en false negatives

In statistische termen is dit probleem te omschrijven als een afweging tussen type I- en type II-fouten. Type I-fouten zijn de false positives: jeugdigen die ten onrechte als risicokind worden geïdentificeerd. Type II-fouten betreft de false negatives: gevallen die ten onrechte buiten het systeem van de hulpverlening blijven.

We gaan in dit artikel kort in op type I- en –II-afwegingen rondom:

Opvolging

Het eerste dilemma is gelegen in de wijze waarop de opvolging van signalen wordt geregeld. Als hulpverleners na een match zelf contact met elkaar moeten zoeken, is niet gegarandeerd dat dat ook gebeurt. Komt het contact wel tot stand, dan is het niet zeker of er ook goed wordt afgestemd, of er afspraken worden gemaakt en of die vervolgens worden nagekomen.

Veel regionale verwijsindexen werken daarom met een zorgcoördinatiesystematiek, waarbij een door de gemeente aangewezen regisseur de procescoördinatie na een match op zich neemt. Een bijkomend voordeel daarvan is, dat het inschatten van risico’s op die wijze kan worden gestandaardiseerd en geprofessionaliseerd. En de oorspronkelijke hulpverleners een extra professional naast zich krijgen, die meedenkt over de situatie.

Een nadeel van zorgcoördinatie kan echter zijn, dat eigen initiatief prima had gewerkt en de coördinator als last wordt ervaren. Ook is het mogelijk dat hulpverleners denken dat het systeem hun eigen verantwoordelijkheid overneemt. Na een melding, die mogelijk leidt tot een match, neemt iemand anders in ieder geval een coördinatieverantwoordelijkheid op zich.

Dit dilemma is grotendeels te ondervangen door de verantwoordelijkheden heel helder te verdelen en zorgcoördinatie alleen op volle kracht in te zetten, nadat uit een eerste inschatting is gebleken dat afstemming ook echt nodig is. In die gevallen, waarin hulpverleners effectief binnen hun eigen domein kunnen opereren en er weinig conflicten zijn tussen de acties van verschillende professionals, is het goed mogelijk om alleen af en toe de ‘thermometer’ in de casus te steken. Het zou wel kunnen zijn, dat hulpverleners de toegevoegde waarde van zorgcoördinatie niet ervaren, als veel van hun meldingen niet actief worden opgepakt. Er dient vanuit oogpunt van motivatie een goede verhouding te zijn tussen het aantal signalen en matches die wel en niet tot actieve coördinatie leiden.

Leiden signalen te vaak niet tot actieve zorgcoördinatie, dan kan dat de motivatie om te melden doen afnemen. Dat zet grenzen op het aantal false positives dat zich binnen het systeem kan bevinden: er moet een redelijke matchingskans zijn. Het is dan ook onvermijdelijk dat systemen nooit alles kunnen dekken. Er zullen altijd false negatives blijven bestaan: risicojeugd die niet wordt gesignaleerd.

Rondom het fenomeen zorgcoördinatie doet zich nog een afgeleid dilemma voor. Coördinatie is een vorm van centralisatie van besluitvorming. Dat kan worden ervaren als ongewenste bemoeienis, zeker in situaties waarbij de melders geen meerwaarde ervaren. Het is ook mogelijk dat de nieuwe vormen van coördinatie niet altijd zo goed functioneren als bestaande – maar minder goed dekkende – coördinatiestructuren, zoals zorgadviesteams en buurtnetwerken. Het is dan ook de kunst om, zeker in de startfase, hard te werken aan een coördinatie die waarde toevoegt voor kind en hulpverlener. Voor de inrichting daarvan kan geleerd worden van bestaande en vooral bewezen structuren.

Verwanten

Een moeilijker oplosbaar dilemma, waarbij echt gekozen moet worden, ligt in het gebruiken van informatie over verwanten. Het is bekend dat de problematiek van de ouders vaak veel zegt over die in het gezin. In de kern gaat een verwijsindex echter uit van matching op het niveau van een individueel kind. Daarmee wordt mogelijk informatie gemist, die nodig is om een goed beeld te krijgen van de situatie. Langs twee lijnen zou informatie over verwanten kunnen worden gebruikt. Allereerst kunnen bij volwassenen de betrokken hulpverleners worden aangesloten, zodat zij meldingen kunnen doen, wanneer zij het vermoeden hebben, dat ook de kinderen in het geding zijn. Hierbij is te denken aan bijvoorbeeld de psychiatrie en de verslavingszorg.

Ten tweede is het mogelijk om matching te laten plaatsvinden op het niveau van families of adressen. Als hulpverlener A als enige een signaal afgeeft over Berend en hulpverlener B dat voor Berends zusje Marit heeft gedaan, treedt er toch een match op. De keerzijde van deze uitbreiding is, dat informatie over personen wordt verzameld en uitgewisseld die daarvan zelf niet hoeven te profiteren. Zeker in de volwassenenzorg is er vaak grote terughoudendheid om de vertrouwensband tussen hulpverlener en cliënt te doorbreken. Tevens is het mogelijk, dat een deel van die informatie niet relevant blijkt te zijn, waarmee ‘false positives’ binnen het systeem worden gebracht.

Preventie, paranoia en psychologie

Een derde keuze ligt in de reikwijdte van de meldcriteria. Als hulpverleners worden uitgedaagd om al heel snel te melden – bij vermoedens of vage indicatoren van een risico – leidt dat tot minder false negatives, maar tot meer false positives. Als het systeem teveel meldingen bevat en te vaak loos alarm slaat, zullen de effectiviteit ervan en het draagvlak ervoor afnemen. De enkele maanden geleden gelanceerde meldcriteria voor de Verwijsindex Risico’s Jeugdigen (www.meldcriteria.nl) zijn buitengewoon ruim geformuleerd en zullen – bij strikte naleving – leiden tot grote aantallen signalen. Het is bijzonder lastig om uit dit dilemma te komen. Uit de cognitieve psychologie is bekend, dat mensen heel slecht zijn in het inschatten van risico’s, zeker als het gaat om vermoedens van kindermishandeling. Nu is een verwijsindex veel breder dan dat, maar het type inschatting vertoont wel overeenkomsten. Het objectiveren van meldcriteria kan een goed hulpmiddel zijn om de fouten van de menselijke geest te compenseren. Aan de andere kant is het maar beperkt mogelijk om risico’s te objectiveren, omdat de hulpverlener altijd maar een klein deel van de kindsituatie in beeld kan brengen. Intuïtie en ervaring blijven nodig. Uit onderzoek naar de effectiviteit van beleid om het melden van kindermishandeling te verbeteren, blijkt dat training een heel heilzaam effect kan hebben. Dat zou voor verwijsindexen tot de aanbeveling leiden dat meldcriteria altijd vergezeld moeten gaan van een goede inleiding – het liefst in trainingsvorm – op de rol die (objectieve) criteria innemen in het meldproces.

Historie

Een vergelijkbare keuze heeft betrekking op de bewaartermijn van de signalen. Hoe langer die is, des te groter de kans dat matches optreden en mogelijk relevante informatie over het kind wordt betrokken in een risico-inschatting of behandeling. Tegelijkertijd wordt het voor kinderen heel lastig om van eenmaal afgegeven signalen af te komen en ligt stigmatisering op de loer. Zeker omdat kinderen en hun situaties kunnen veranderen, is lang niet alle historische informatie ook relevant. Door ze echter in een systeem op te nemen, behouden zij een zekere overtuigingskracht en kan het een eigen leven gaan leiden. Een bijkomend probleem is, dat signalen eigenlijk geen enkele zelfstandige zeggingskracht hebben. Zij zijn immers bedoeld om hulpverleners met elkaar in contact te brengen, en in dat contact vindt de eigenlijke informatie-uitwisseling pas plaats. Bij oude signalen is niet gezegd dat de oorspronkelijke signaalgever nog contact heeft met het kind of überhaupt nog bereikbaar is. Hij of zij kan inmiddels voor een andere organisatie werken. De oplossing die in het wetsvoorstel voor de landelijke verwijsindex is gekozen – historie wordt alleen getoond als een melding wordt gedaan en is verder niet toegankelijk – is daarmee zo gek nog niet.

Tot slot

De dilemma’s die we hebben besproken zijn soms afwegingen van waarden en belangen van verschillende personen. Al eerder hebben we gezien dat dergelijke ethische overwegingen een belangrijke rol spelen bij ict-systemen die informatie-uitwisseling moeten ondersteunen.

Soms treden dilemma’s echter ook op kindniveau op, zoals bij het bewaren van historische gegevens. Dan is het veel moeilijker om met een waardegeladen keus de knoop door te hakken en ligt de centrale vraag in ‘wat werkt’. Het ontwerpen van ict-systemen is dan ook een combinatie van ethische en professionele discussies, van demo- en technocratie.

Ton Monasso is consultant e-dossiers, ketensamenwerking en jeugd bij Capgemini Consulting. De tekst van de volledige scriptie, waarop deze artikelenserie is gebaseerd, is te vinden op www.tonmonasso.nl/masterthesis.pdf.

Share

Leave a Reply

Your message will be published on this website, after approval of the webmaster. If you prefer a personal reply that will not be published, please use the contact form.