Parlementaire verkenning jeugdzorg gaat moeilijke vragen uit de weg

Dit artikel is in bewerkte vorm verschenen in het NRC Handelsblad van 31 mei 2010.

Medio mei presenteerde de Tweede Kamer haar toekomstverkenning over de jeugdzorg. Veel van de aanbevelingen stralen daadkracht uit: verschuif bestuurlijke verantwoordelijkheden, wiedt in de regels en koppel één verantwoordelijke hulpverlener aan één jeugdige. De ogenschijnlijke consensus van de politieke partijen die het rapport hebben geschreven is echter bedrieglijk. Het rapport vlucht in algemeenheden. Dit gebrek aan eensgezindheid over concrete plannen voor de jeugdzorg zorgt ervoor dat in een sector waar iedereen smeekt om verandering, er voorlopig juist niets verandert. Arno Janssen en Ton Monasso roepen op tot snelheid, omdat de vernieuwing van de sector vrijwel stilstaat zolang concrete plannen uitblijven.

De Tweede Kamer heeft met een dinsdag uitgebrachte toekomstverkenning de ruimte genomen om een van de taaiste maatschappelijke sectoren van de afgelopen decennia in zijn geheel onder de loep te nemen: de jeugdzorg. Veel beleid is stevig gepolitiseerd en daarmee gepolariseerd. De brede onderzoekscoalitie van zeven partijen heeft getracht de gemeenschappelijkheden op te zoeken in plaats van de verschillen uit te meten. Daarin is zij zonder meer geslaagd, maar wel ten koste van scherpe keuzes en concreetheid.

Na eerdere standpunten over de toekomst van de jeugdzorg, met als climax de visie van minister Rouvoet in blessuretijd, valt de toekomstverkenning op doordat zij terugkeert naar algemeenheden. Juist op dit moment is dat fnuikend voor de sector en daarmee voor de jongeren die al dan niet geholpen worden. De bestuurlijke rust door de demissionaire status van het kabinet is niet van het soort waarop gewacht werd. Veel gemeenten kijken de kat uit de boom met het opzetten van Centra voor Jeugd en Gezin en het oppakken van de door vrijwel iedereen gewenste regierol. Ook de aanbevelingen van de parlementaire werkgroep geven de sector onvoldoende zekerheid over de te volgen koers.

Drie uitkomsten van de werkgroep illustreren hoe bedrieglijk de in het rapport gesuggereerde consensus is. Ten eerste wordt opgeroepen om gemeenten verantwoordelijk te maken voor de vrijwillige jeugdzorg. De provincies zouden die taak dan kwijtraken. Als argument voor deze decentralisatie wordt vaak aangehaald dat de aansluiting op onderwijs, maatschappelijk werk en sociale dienst zou verbeteren. Ongetwijfeld. Maar er is een reden voor terughoudendheid: kunnen 430 individuele gemeenten die taak aan? Staan zij financieel en inhoudelijk sterk genoeg tegenover slechts enkele tientallen zorgaanbieders, en zonee, welke extra bevoegdheden krijgen zij dan?

Een tweede conclusie van de werkgroep is dat professionals meer vertrouwen zouden moeten krijgen, ten koste van regels. Tegelijkertijd merkt zij echter op dat er nog weinig behandelingen zijn die ‘evidence-based’ zijn. Hoe bepaal je dan of professionals hun werk goed hebben gedaan? Moet het opleidingsniveau van de sector als geheel niet omhoog voordat je professionals zoveel eigen ruimte kunt gunnen? Waarom krijgen hulpverleners nu juist vanuit hun eigen organisaties zoveel regels opgelegd, en hoe ga je dat tegen?

Het derde en laatste voorbeeld is het aanstellen van één professional die naar de jongere of het gezin toe het aanspreekpunt is voor alle behandelingen. De huisarts lijkt daarvoor niet de geschikte partij, omdat die al overloopt met patiënten, verantwoordelijkheden en meer op medische problemen is gericht. Dan ligt het voor de hand dat jeugdartsen dit doen. Hoe wordt ervoor gezorgd dat andere organisaties het gezag van de jeugdarts aanvaarden? En hoe komen jeugdigen daar terecht, als zij nu hele andere loketten kennen? Is een uitbreiding van de Centra voor Jeugd en Gezin dan niet noodzakelijk? Toch worden die in het twintig pagina’s tellende rapport niet eenmaal genoemd, terwijl ze het paradepaardje van minister Rouvoet waren.

Deze voorbeelden duiden erop dat de werkgroep wel richtingsgevoel heeft, maar de consequenties voor haar keuzes nog niet wil aanvaarden of teveel onenigheid heeft over de juiste uitwerking. Er zijn geen simpele antwoorden, maar de vragen over het “hoe” kunnen niet langer ontlopen worden.

Natuurlijk is het parlement geen beleidsmaker, maar de jeugdzorg zit wel dringend verlegen om meer duidelijkheid. De politieke partijen doen er daarom goed aan zich nu al verder te verdiepen in de gewenste veranderingen, zodat het nieuwe kabinet straks zo snel mogelijk een duidelijke toekomstvisie mét concrete maatregelen kan presenteren. Pas dan gaat het bloed in de jeugdzorg weer stromen!

Arno Janssen is partner bij Zenc. Ton Monasso is adviseur jeugdzorg bij Zenc.

Share
May 31, 2010 • Tags: , , , • Posted in: Jeugdsector • Print This Post Print This Post

Leave a Reply

Your message will be published on this website, after approval of the webmaster. If you prefer a personal reply that will not be published, please use the contact form.