Vroegtijdig signaleren van trends…

Dit artikel is verschenen in Perspectief, Informatie- en opinieblad voor de jeugdzorg, kinderbescherming en pleegzorg, nummer 7, november 2009.

Wat brengt de toekomst ons? Die vraag is gemakkelijker te beantwoorden naarmate de horizon kleiner wordt. Als wij willen weten wat de nabije toekomst ons brengt, hoeven we maar te kijken naar zich ontkiemende ontwikkelingen in het heden, die de potentie hebben om uit te groeien tot trends. Driemaal ‘trendwachting’ rondom elektronische gegevensuitwisseling in de jeugdsector.

Door Ton Monasso en Esther van Bostelen

Terugblik…..

In vorige afleveringen van Perspectief beschouwden wij systematisch de ontwikkelingen op het gebied van elektronische dossiers en verwijsindexen in de jeugdsector. Er zijn verschillende redenen geïdentificeerd om tot dossiervorming en uitwisseling over te gaan, maar ook een aantal valkuilen en beperkingen. Het is duidelijk geworden dat ict-systemen, gericht op gegevensuitwisseling, niet op één hoop kunnen worden gegooid. Ook zal er niet snel één uniform systeem komen waarmee ‘de’ sector ‘alles’ kan doen.

…..en vooruit blikken

In dit artikel benoemen wij drie trends, waarvan de kiem in het hier en nu ligt. Wij verwachten dat deze trends zich zullen doorzetten, omdat zij toegevoegde waarde hebben en relatief weinig gehinderd worden door technische onmogelijkheden of inhoudelijke onwenselijkheden. Uitwisseling van gegevens in de jeugdsector zal zich wat de inhoud betreft vooral binnen domeinen (zoals onderwijs, veiligheid en jeugdzorg) ontwikkelen. Uitwisseling tussen deze domeinen zal vooral ‘dat’-informatie betreffen (wie houdt zich waarmee bezig of maakt zich zorgen?) en daarmee administratief van aard zijn. Tot slot zal het gezin steeds meer het brandpunt worden, en niet langer de individuele jeugdige.

Uitwisseling en ict

Inhoudelijke dossiers ontwikkelen zich verder binnen de domeinen. Professionals binnen verschillende instellingen, die regelmatig met elkaar werken, hebben vaak ook het nodige met elkaar gemeen. CJG medewerkers en BJZ intakers zullen zich in elkaars leefwereld kunnen verplaatsen. Zij hebben wellicht dezelfde opleiding gevolgd, vallen deels onder dezelfde wet- en regelgeving met eenduidige taal en ontkomen niet aan frequent contact over jeugdigen met een specifiek soort problematiek. Naarmate de uitwisseling vaker voorkomt, is er een goede reden om dit te ondersteunen met ict-systemen.

Eerder hebben we gezien dat er twee redenen zijn waarom de uitwisseling van inhoudelijke gegevens langs elektronische weg minder verstandig is als professionals verder van elkaar af staan. Door het infrequentere contact en de daarmee gepaard gaande verschillen in referentiekaders, is de kans op misinterpretatie van de informatie (te) groot. Een mondeling gesprek is dan een betere manier om informatie over te dragen.

E-dossiers

Binnen veel domeinen zijn momenteel ontwikkelingen op het gebied van e-dossiers te bespeuren. Het onderwijs is bezig met het Elektronisch Leerdossier (ELD), binnen de gezondheidszorg is het landelijk schakelpunt voor het Elektronisch Patiëntendossier recent weer geopend. De jeugdgezondheidszorg implementeert gaandeweg het Elektronisch Kinddossier en in de justitiehoek wordt al gewerkt met JCO Support dat het justitieel casusoverleg jeugdcriminaliteit moet ondersteunen. In al deze gevallen worden inhoudelijke gegevens tussen organisaties uitgewisseld.  Gegevens die de situatie of problematiek van het kind betreffen. Die uitwisseling kent grofweg drie vormen. De eerste mogelijkheid is een gezamenlijk systeem, waar de gegevens eenduidig en ook maar eenmaal worden geregistreerd. Een tweede variant is het virtuele dossier, dat haar informatie ontleend aan de bronsystemen van de samenwerkende instellingen. Ten derde kan met overdrachtsdossiers worden gewerkt. Een voorbeeld hiervan is het Elektronisch Kinddossier, dat in zijn geheel wordt overgedragen bij verhuizing of de bekende vierjaarsgrens. Ook het ELD is een overdrachtsdossier.

Jeugdzorg en e-dossiers

Binnen het domein van de jeugdzorg denken we dat vooral virtuele dossiers zich zullen gaan ontwikkelen. Een voordeel daarvan is dat de werkprocessen van de aanleverende instellingen nauwelijks worden aangetast, dat iedereen ‘eigenaar’ blijft van zijn eigen gegevens en dat de inhoud van het dossier relatief flexibel is. Ook kan een sneeuwbaleffect optreden, doordat men van elkaar ziet welke gegevens dubbel of foutief worden geregistreerd. Van daaruit kan bottom-up enthousiasme ontstaan voor samenwerking tussen partijen.

In de jeugdzorg zou dit type dossier vooral kunnen helpen om de toeleiding naar en indicatie voor meerdere zorgvormen op elkaar af te stemmen. Indicerende instanties zouden elkaars gegevens kunnen inzien en overnemen, en daarmee de klant een dubbele uitvraag van dezelfde informatie kunnen besparen. De voordelen zitten hem hier vooral in administratieve lastenreductie. Dit sluit aan bij initiatieven als Integraal Indiceren.

Intra domeindossiers

Een tweede kans voor verdere ontwikkeling van intra domeindossiers ligt in het ondersteunen van multidisciplinair werken, veelal voor multiproblem gezinnen. Een gezamenlijk dossier ligt hier voor de hand. Om dat goed te laten werken, moet dat dossier dan wel in de plaats komen van bestaande dossiers, anders krijgen hulpverleners te maken met dubbel werk. Een gezamenlijk dossier onderstreept ook de gedachte van één team, naast één gezin en één plan. Omdat multidisciplinaire teams lokaal verschillen in de samenstelling en aanpak, en de aantallen probleemgevallen voor een enkel team beperkt zijn, liggen oplossingen ‘van de plank’ hier voor de hand. Geen stugge en grote ict-systemen, maar flexibele (webgebaseerde) tools kunnen hier de gewenste ondersteuning bieden.

Domeinen en administratie

Tussen domeinen zal ook in toenemende mate sprake zijn van informatie-uitwisseling. Die is echter qua aard veel beperkter dan de uitwisseling binnen domeinen. Een belangrijke toepassing van uitwisseling tussen domeinen is het zicht krijgen op de zorgen over of betrokkenheid bij jeugdigen van verschillende hulpverleners. Het eerste (matchen van de ‘zorgen’ van meerdere professionals over dezelfde jeugdige) wordt momenteel geïmplementeerd met hulp van de regionale verwijsindexen en de landelijke Verwijsindex Risicojongeren. Daarmee wordt echter lang niet altijd ook de betrokkenheid van een hulpverlener vastgelegd.

In enkele regio’s wordt gewerkt met zogenaamde ketenregistraties. Daarmee geven organisaties aan dat zij hulp verlenen aan een jeugdige, zonder dat daar verder inhoudelijke informatie, zoals een inschatting over de ontwikkelingsrisico’s, aan verbonden is.  Op deze manier kan overzicht over de keten – voor een individuele jeugdige – worden verkregen. Dat overzicht maakt het mogelijk om sneller een completer beeld te krijgen over de situatie en de samenwerking op te zoeken.

Regie van de gemeente

De behoefte aan afstemming van hulp wordt versterkt door het wetsvoorstel dat de gemeentelijke regierol op de jeugdketen regelt. Daarom zullen ketenregistraties in eerste instantie ook vooral door lokaal enthousiasme worden aangejaagd en gerealiseerd. Het is nog te vroeg om een inschatting te kunnen maken van een eventuele landelijke paraplu. Duidelijk is wel dat zoiets lastiger te realiseren zal zijn dan de Verwijsindex Risicojongeren, omdat het moeilijker is landelijk eenduidige criteria op te stellen. Ketenregistratiecriteria reflecteren immers de lokale ‘definities’ en samenstelling van de ketens en dat betekent dat de scope van de keten en de drempel voor registratie kunnen verschillen.  De gemakkelijkste uitweg is een honderd procent registratie (alle kinderen, alle instellingen), maar dat is zowel onuitvoerbaar, ineffectief als onwenselijk.

Een wat paradoxale consequentie van ketenregistraties (en risicosignalen) is niet alleen dat instellingen vaker met elkaar samenwerken, maar ook dat zij in staat worden gesteld om zich te concentreren op hun kerntaken. Doordat zij makkelijker in contact komen met andere partijen, zullen zij een beter beeld krijgen van de externe omgeving, de mogelijkheden die die biedt en de hulpverlening die al wordt aangeboden. Zo wordt het voor het schoolmaatschappelijk werk makkelijker om de juiste partijen te vinden en eerder te escaleren naar bijvoorbeeld gespecialiseerde hulpverlening van de jeugdzorg. Niet langer hoeven instellingen het ‘woeden der gehele wereld’ op te pakken, omdat zij vaker met een gerust hart en geweten een deel van de probleemanalyse, diagnostiek en hulpverlening aan anderen kunnen overlaten.

Gezin wordt object van aandacht

In de hulpverlening aan kinderen staat de systeembenadering centraal. Daarbij wordt het kind bekeken in de context van gezin, familie, sociale en fysieke omgeving. In situaties waarbij het kind kampt met ernstige psychosociale problematiek, zijn de ouders niet zelden onderdeel van het probleem. Als een kind leidt onder verslaafde ouders, is ook volwassenenzorg daarmee onderdeel van de oplossing. Dat vereist echter een verdere uitbreiding van de partijen waarmee de jeugdsector ‘zaken doet’. Hier ligt dezelfde uitdaging voor als in de jeugdsector: hoe is beter zicht mogelijk op de partijen die voor een individueel gezin betrokken zijn of zouden moeten worden? De verwijsindex, al dan niet voorzien van ketenregistraties, kan ook hier van nut zijn. Op langere termijn doet zich dan de vraag voor of de verwijsindex ook wordt uitgebreid met volwassenen. Op kortere termijn wordt al bezien of een gezinsfunctionaliteit in de Verwijsindex Risicojongeren kan worden gerealiseerd, zodat ook broertjes en zusjes van elkaars risicosignaleringen kunnen profiteren.

Tot slot

Er is veel beweging op het front van ketens, informatisering en jeugd. Veel van de initiatieven zijn nog niet volledig geïmplementeerd en hebben al helemaal niet de kans gekregen om zich in te slijten in de praktijk. Daarom is het, na het beleidsvuur van de afgelopen jaren, onvermijdelijk dat het accent zal liggen op het uitvoeren van de plannen en het fijnslijpen van de praktijk. Doordat er meer en meer samengewerkt wordt en toegang wordt verleend tot elkaars informatie, zullen er ook spontane veranderingen plaatsvinden, van onderop.

In de keten werk & inkomen, bijvoorbeeld, heeft het bieden van een inkijkmogelijkheid voor sociale-dienstmedewerkers in UWV-gegevens, en vice versa, geleid tot veel enthousiasme over verdergaande samenwerking. Zonder dat van een heel geavanceerd ict-systeem sprake was, leidde inzage in elkaars gegevens ertoe, dat men ging beseffen hoeveel dubbel werk er werd verricht, hoeveel inconsistenties er kunnen zijn tussen gegevens (en hoe onbetrouwbaar registraties soms zijn) en bovenal, hoe het veel beter zou kunnen als er beter werd samengewerkt.

Ict kan daarmee een prima katalysator zijn voor ketensamenwerking in de jeugdsector. Het is een instrument gericht op verbinding van hulpverleners, die op hun beurt kinderen en gezinnen vooruit helpen. De systemen zijn nog niet af, maar het meeste potentieel zit in de effecten op mensen van vlees en bloed.

Ton Monasso en Esther van Bostelen zijn consultants Public & Health bij Capgemini Consulting. Zij houden zich onder andere bezig met e-dossiers, ketenintegratie en de jeugdsector.

Share

Leave a Reply

Your message will be published on this website, after approval of the webmaster. If you prefer a personal reply that will not be published, please use the contact form.